Het
ouessant schaap heeft zijn naam te danken aan het eilandje gelegen voor
de westkust van Bretagne in Frankrijk, het zogenaamde l'ile d'Ouessant.
Het ouessant schaap zou het kleinste schapenras ter wereld zijn en het
kent invloeden van verschillende rassen.
In
het begin bestonden er 3 Bretoense rassen of varianten :
het
Bretoense Landschaap, Race des Deux en het Ouessantschaap. Voor deze
laatste zouden Scandinavische kortstaartschapen van zeer groot belang
bij het ontstaan hiervan geweest zijn. Later zouden er nog invloeden
van Hebridean , Sint Kilda schaap , Manx Loghtan , of North Ronaldsey
geweest zijn. De zeer slechte weersomstandigheden, het weinig of sober
voedsel dat er te vinden was, het typisch Insular Dwarfism verschijnsel
dat voorkomt bij dierenpopulaties die generaties lang op een eiland
of sterk afgesloten gebied leven en dit onder karige weersomstandigheden
en als laatste de menselijke selectie, hebben voor het klein schaap
gezorgd dat wij vandaag de dag kennen.
De
dieren werden in het begin voornamelijk gehouden voor de zwarte wol
en in mindere mate voor het vlees. Rond het jaar 1910 zou het witte
Bretoense landschaap ingekruist zijn om de meer gevraagde witte wol
en om een groter schaap te verkrijgen. In 1936 zou het Griekse schip
Mykonos geladen met schapen voor het eiland schipbreuk geleden hebben
en een groot aantal van deze dieren zou zich op het eiland vermengd
hebben. Rond de periode van 15 maart werden de schapen verzameld en
gemerkt. Daarna werden de dieren op kleine perceeltjes gehouden tot
de nieuwe oogst binnen was. Rond 29 september werden de dieren opnieuw
op het eiland vrij gelaten. De mensen hielden steeds een paar lammeren
bij (waarschijnlijk de grootste en dikste ) voor eigen consumptie tijdens
de winter.
In 1976 heeft de Heer Paul Abbé met een paar vrienden geprobeerd
het ouessant schaap te redden en hebben de GEMO (groupement des éleveurs
de mouton d'ouessant ) opgericht. Het grootste aantal dieren werd voornamelijk
bij kasteelheren gevonden, waar ze op een efficiënte manier de
gronden konden onderhouden. De meeste dieren werden bij het gezin De
Goulaine in Saint Etienne terug gevonden en in het dierenpark van Parijs
werden er nog amper 486 dieren geteld.
Rasbeschrijving
Kop :
Voor de ooien zien we graag dat het voorhoofd en het neusbeen een doorlopende
lijn vormen ; voor de rammen mag deze liefst licht gebogen zijn, en
ook mooie fijne en regelmatige horens.
Oog :
Glinsterend, en steeds met een levendige blik, de ogen puilen iets uit.
Oren :
Het liefst kort, fijn, zeer beweeglijk met grotendeels de neiging om
rechtop te staan.
Hoorn :
Zwart van kleur voor de zwarte en bruine dieren en wit met soms een
zwarte lijn voor de witte dieren. De doorsnede is driehoekig, en mooi
gekruld in een spiraal van een grote doorsnede en liefst op een goede
afstand van de kop.
Hals:
Rond , liefst zonder kossem en voor de rammen met en mooie kraag.
Romp :
De schoft en schouders moeten goed aangesloten zijn aan de middenhand.
Van opzij gezien moet deze een rechthoekig aanzicht vertonen.
Rug :
De bovenlijn is recht en dit vanaf de schoft tot aan het begin van de
staart.
Bekken en kruis :
Voldoende gevuld met licht afhangend kruis.
Ledematen :
Fijn en van gemiddelde lengte, in evenwicht en goed uitgebalanceerd.
Donkere hoeven voor de zwarte en bruine dieren en licht gekleurde hoeven
voor de witte dieren.
De schofthoogte :
Voor volwassen ooien ( leeftijd van drie jaar ) mag de schofthoogte
niet hoger zijn dan 47cm.
Voor volwassen rammen ( leeftijd van drie jaar ) mag de schofthoogte
niet hoger zijn dan 49cm.
Kleur :
Zwart, bruin, wit, schimmel